Onder toon verstaan we iedere waargenomen regelmatige luchttrilling met een frequentie hoger dan ca. 20 Hz en lager dan ca. 16.000 Hz.
Een normaal menselijk oor neemt kan onder normale omstandigheden tussen 20 Hz en 15.000 Hz ongeveer 850 verschillende toonhoogten waarnemen. Onder zeer gunstige omstandigheden kan het geoefende oor in ditzelfde gebied ca. 1500 tonen waarnemen. Niet al deze mogelijk waarneembare toonhoogten worden gebruikt voor de praktische muziekbeoefening. Men maakt een keuze en richt zich in zijn muzikale uitingen naar deze eenmaal gemaakte keuze. Verschillende volken en culturen hebben door de eeuwen heen op zeer verschillende wijzen zo hun keuze gemaakt. Toonsysteem noemt men de wijze waarop men uit het totaal der mogelijke tonen voor de praktische muziekbeoefening er een aantal afzondert. Het is meteen duidelijk dat men over de ganse wereld een groot aantal toonsystemen aantreft. Het merkwaardige is dat alle bekende toonsystemen met elkaar op één punt overeenkomen, hoezeer zij ook op andere punten kunnen verschillen. Alle toonsystemen zijn namelijk gebaseerd op het octaaf en op de verdeling van het octaaf. Twee tonen vormen een octaaf wanneer de frequentie van de ene toon het dubbele is van de frequentie van de andere toon. Een toon van 100 Hz vormt een octaaf met een toon van 200 Hz en uiteraard ook met een toon van 50 Hz. Het gehele hoorbare toongebied strekt zich uit over een afstand van 9 à 10 octaven. Men hoeft de frequenties van twee tonen niet te meten om te kunnen besluiten of zij een octaaf vormen. Moest dit zo zijn dan zou het octaaf bij natuurvolken niet zo veelvuldig voorkomen. Tenzij twee tonen gelijke frequenties hebben en derhalve even hoog klinken, zullen nimmer twee tonen 'op het gehoor' zo op elkaar gelijken als de twee tonen van een octaaf. Vrijwel alle gekende toonsystemen omvatten meer dan één octaaf. De verschillende toonsystemen onderscheiden zich van elkaar door de specifieke wijze waarop het octaaf onderverdeeld wordt, d.w.z. door de wijze waarop de overige tonen binnen het octaaf gerangschikt zijn, dit inzonderheid met betrekking tot de onderlinge afstanden (toonhoogteverschillen) tussen deze tonen. Wanneer in een bepaald toonsysteem een octaaf op een bepaalde wijze verdeeld wordt, zullen alle andere octaven van dat toonsysteem op overeenkomstige wijze worden verdeeld. We zouden ons bijvoorbeeld een toonsysteem kunnen voorstellen waarvan de tonen de volgende frequenties hebben: 45 - 50 - 75 - 90 - 100 - 150 - 180 - 200 - 300 - 360 - 400 - 600 - . Hz. Het volgende systeem echter is muziekpsychologisch en muziekesthetisch onbestaanbaar: 45 - 55 - 65 - 75 - 85 - 95 - 105 - 115 - 125 - 135 - 145 - 155 - 165 -. Hz



